Br 03 & 03.10

In de eerste plannen voor de eenheidslocomotieven van de DRG was in eerste instantie alleen voorzien in de serie BR 01 en BR 02.
Beide locomotieven series waren bedoeld voor lijnen met een bovenbouw voor treinen met een aslast van 20 ton.
Doordat de verbouwing van de lijnen die nog niet geschikt waren voor 20 ton langer duurde dan was voorzien drongen vooral de Noord-Duitse directies aan op de bouw van een eenheidslocomotief voor lijnen met een maximum as-last van 17,5t, die de zwaar belaste en verouderde BR 17.1 en BR 17.2 (Pruisische S10 familie) kon vervangen.

Deze locomotief, als baureihe 03 gepland was oorspronkelijk een viercilinder locomotief maar men koos toch voor de gunstiger twee cilinder aandrijving.
Borsig leverde de eerste drie voorserie locomotieven af op 8 juli 1930.
Deze locs hadden een keteldruk van 14 bar en een cilinderdoorsnee van 600 mm.
De serielevering vanaf BR 03.004 had een keteldruk van 16 bar en een cilinderdoorsnede van 570 mm.
Vanaf 1930 t/m 1938 zijn door de firma’s Borsig, Henschel, Krupp en Schwartzkopff 298 locomotieven baureihe 03 gebouwd en geleverd.

Voor sneltreinen tot 150 km/u ontbrak er bij de DRG een snelle stoomloc voor de vele trajecten waarvan de bovenbouw slechts een asdruk van 18 ton toeliet.
Voor deze situaties ontwikkelde de DRG een sneltreinlocomotief met stroomlijnbekleding serie 03.10.
In 1939 presenteerde Borsig uit Berlijn de beide eerste prototypes voor de voor 150 km/u toegelaten baureihe 03.10 met zijn markante bekleding.
Na de goede ervaringen met de beide testexemplaren wilde de Deutsche Reichsbahn 138 van dit soort locomotieven laten bouwen, maar er zijn er maar 58 afgeleverd.
De nummers 03 1023 t/m 1042, 03 1061 t/m 03 1072 en 03 1092 t/m 1140 bleven ongebruikt.
Totaal hebben er dus maar, met de twee prototypes 60 locs BR 03.10 rondgereden.
De BR 03.10 was een doorontwikkeling van de BR 03 en werd voorzien van een drie-cilinderaandrijving.
Voor de bouw werden de firma’s Borsig in Berlijn, Krupp in Essen en Krauss-Maffei in München ingezet.
De locs geleverd door Krupp en Krauss-Maffei hadden stroomlijnbekleding die geheel over de wielen heen viel zoals bij de BR 05, de locs geleverd door Borsig hadden stroomlijnbekleding die maar tot het midden van de drijfwielen reikten.
De versie van Borsig bleek daardoor uiteindelijk minder gevoelig voor storingen door oververhitting van het drijfwerk.
De locs BR 03.10 waren oorspronkelijk bedoeld voor 150 km/u, maar in 1941 werd de snelheid teruggezet naar 140 km/u.
In 1942 waren de meeste locomotieven in de Bw’s Breslau, Posen, Kattowitz en Stargard gestationeerd. Na de tweede wereldoorlog gingen 26 locs naar de DB, 19 naar de DR en 9 locs gingen naar Polen naar de PKP.
De DB en de DR verwijderde de intussen nutteloos geworden stroomlijnbekleding.
Bij beide maatschappijen werden de ketels van de locs in 1957/58 vervangen door nieuwe exemplaren.

 

Technische specificaties:

Baureihe: 03.
Indienststelling: 1930-1938
As-indeling: 2’C 1′ h2
Tender: 2’2T32 & 2’2T34st
Gewicht: 99,6T + 61,5T
Lengte: 23,94 M.
Snelheid: 130 KM
Kolenvoorraad: 10T
Watervoorraad: 34 M³
Vermogen: 1980 PSi

Baureihe: 03.10.
Indienststelling: 1930-1938
As-indeling: 2’C 1′ h2
Tender: 2’2T32 & 2’2T34st
Gewicht: 99,6T + 61,5T
Lengte: 23,94 M.
Snelheid: 130 KM
Kolenvoorraad: 10T
Watervoorraad: 34 M³
Vermogen: 1980 PSi

Model: Fleischmann 4104 & 4171