Br 18.4 / Br 18.5

Toen bij de oprichting van de DRG alle locomotieven een nieuw serienummer kregen toebedeeld, werden de 2’C1′ sneltreinlocomotieven van de Sächsische Staatsbahn (type XVIII H), Württembergischen Staatseisenbahnen (klasse C), Badische Staatsbahn (IV f) en de Bayerische Staatsbahnen (S3/6) omgenummerd tot de baureihe 18.

De locomotieven van de diversen staatsspoorwegen waren onderling nogal verschillend zodat er werd besloten om elk type in een eigen onder-serie in te delen.
Zo ontstonden dus de series 18.0 (Sächsische Staatsbahn type XVIII H), de 18.1 (Württembergischen Staatseisenbahnen klasse C) de 18.2, 18.3 (Badische Staatsbahn IV f)en de 18.4, 18.5 (Bayerische Staatsbahnen S3/6).
Ook het eerste bouwjaar van de locomotieven was nogal verschillend.
De bouwjaren liepen uiteen van 1907(18.2), 1908(18.4), 1909(18.1) tot 1917(18.0).

De 18.4 (S3/6) beschikte over een viercilinder drijfwerk dat de tweede gekoppelde drijfas aandreef. De diameter van de drijfwielen was 1870 mm, deze diameter maakte de locomotief zeer geschikt voor diensten in heuvelachtige streken. Maar ook op het vlakke land deed de locomotief het goed door het zeer goede evenwichtig drijfwerk en de hoge maximumsnelheid.
De locs hadden een zeer rustige loop en een laag brandstofverbruik, dat was vooral te danken aan de vier-cylinder compoundaandrijving.
Tijdens proefritten van de serie 18.5 werden met een trein van 420 ton snelheden bereikt van 135 Km/u.
Om beschadigingen aan het drijfwerk te voorkomen werd de maximum snelheid teruggebracht tot 120 Km/u
Interessant is ook het interieur van de machinistencabine waarin 2 ronde vuurdeuren opvallen.

Na afloop van de eerste wereldoorlog moesten de spoorwegen in Duitsland flink inleveren.
Grote aantallen locomotieven en rijtuigen moesten als oorlogsschade worden afgestaan aan België, Polen en Frankrijk.
Het is verwonderlijk dat de locs van de serie S3/6 in geringe maten deel uitmaakte van deze operatie.
Slechts 18 stuks werden aangewezen voor uitlevering.
Mede door de tekorten en omdat de machines erg goede rijeigenschappen hadden en zuinig waren werd er in 1922 besloten om nog een hoeveelheid locs te bestellen van de serie 18.4 en 18.5.
Deze werden vanaf 1923 geleverd en tot begin 1930 gebouwd.
Ook toen bleek dat de loc goed voldeed, nog steeds zuinig was en in de latere jaren ritten van zo’n 800 km kon afleggen zonder dat de loc nieuwe voorraden moesten innemen en nagekeken dienden te worden.
Regelmatig werden ze dan ook ingezet voor internationale treinen, en werden treinen zoals de Oriënt Express en Rheingold ook vaak getrokken door een loc uit de serie 18.4

Tekenend voor de goede constructie en vermogen is het feit dat deze locomotief 25 jaar lang werd aangekocht, zelfs nog in de DRG tijd.
Ook lang na de oorlog zijn het betrouwbare locs gebleken die tot ver in de jaren 60 hebben rondgereden.

Technische specificaties:

Baureihe: 18.4 / 18.5.
Indienststelling: 1907/1923
As-indeling: 2’C 1′ h4v
Tender: 2’2T20, 2’2T26-2, T2’2T26-4, 2’2T27-4, 2’2T30, 2’2T31, 2’2T32-5, 2’2T34
Gewicht: 94,7T + 69T
Lengte: 22,84 M.
Snelheid: 120 KM
Kolenvoorraad: 10T
Watervoorraad: 31,7 M³
Vermogen: 1770 PSi

Model: Roco 63360, 63361 en 63362, Fleischmann 4119