Br 41

Tot het midden van de dertiger jaren waren voor de goederendienst op hoofdbanen alleen locs van de baureihe 43 en 44 beschikbaar naar de richtlijnen van de nieuwe eenheidslocomotieven.
Deze 5-assige met 2- en 3-cylinder uitgeruste locs hadden een topsnelheid van 70/80 KM/U en konden dien ten gevolge in de snelle goederendiensten de gestelde dienstroosters niet vervullen.

Daarom besloot de Reichsbahndirectie in 1934 dat er een snelle goederenlocomotief ontwikkeld moest worden.
De nieuwe locomotief moest in staat zijn om goederentreinen, snelgoederen- en reizigerstreinen over vlakke en heuvelachtige trajecten te kunnen trekken.
Als topsnelheid werd 90 KM/U aangegeven en de grootste as-last mocht de 18T niet overschrijden.
Na voorstellen van diversen fabrikanten werd de 1’D’1 uitvoering van BMAG in verband met de grotere en sterkere ketel uitgekozen als het definitieve ontwerp.
De beide machines, de 41001 en 41002, werden in 1936 gebouwd.
In januari en maart 1937 aan de DRG overhandigd en werden ze aan vele testen onderworpen.
Na afsluiting van de testen en de beoordelingen daarvan die tot enige veranderingen leidde volgde einde 1938 de aanvang van de levering van 364 locomotieven aan wiens bouw alle bekende fabrieken deelnamen.
Twee andere leveringen die tot nummer 41-436 zouden moeten voeren werden door de oorlog afgezegd.
De eerste 2 locomotieven werden met de 2’2 T32 tender uitgerust, de overige met de 2’2 T34.
Locs die op lijnen werden ingezet met een 20 meter draaischijf kregen de 2’2 T30 aangekoppeld.

27 machines werden na de oorlog in het oosten ingezet en 11 werden met oorlogsschade afgevoerd.
In 1950 waren bij beide Duitse spoorwegen 328 locomotieven beschikbaar.
De laatste locs van deze serie werden in 1971 buiten dienst gesteld.

Technische specificaties:

Baureihe: 41.
Indienststelling: 1936
As-indeling: 1’D’1 h2
Tender: 2’2 T30, 2’2 T32, 2’2 T34
Gewicht: 101,2T + 30T
Lengte: 23,90 M.
Snelheid: 90 KM
Kolenvoorraad: 8T
Watervoorraad: 30 M³
Vermogen: 1900 PSi

Model: Fleischmann 4132