Br 76

Met de tenderloks T11 en T12 beschikte de Pruisische spoorwegen aan het begin van de 20ste eeuw over zeer goede machines voor het lichte personenvervoer ten behoeve van het lokale verkeer.
Al snel deden zich echter problemen voor met zwaardere treinen op korte trajecten en in het stadsverkeer.
Om het tijdrovende keren van loks te vermijden besloot men tot het voortzetten van het gebruik van tenderloks.

Voor de drukke trajecten tussen Frankfurt am Main en Wiesbaden stonden echter geen krachtige machines ter beschikking.
Na diverse mislukte tests met o.a de P2.11, de T12 en de VIb die of te traag of te zwak waren werd besloten om een geheel nieuwe lok te ontwikkelen.
Op het 41 Km lange traject moest dit loktype tenderlok dan de middelzware en zware personentreinen gaan trekken.
Om tijd te sparen werd besloten om uit bestaande types componenten te gebruiken om de nieuwe 2’c h2 lok te bouwen.
De opdracht tot bouw van deze lok werd aan de Borsig Lokomotiv Werke te Berlijn gegund.
Onderstel en aandrijving werd grotendeels van de P8 overgenomen en de ketel was op enkele details na gelijk aan die van de P6.
De nieuwe lok was dus eigenlijk een P8 zonder tender maar met water en kolen houders.
Door de ver naar voren geplaatste ketel had de lok een weinig harmonieus uiterlijk.
Het draaistel was naar beide zijden verschuifbaar en de drie grote aandrijfwielen liepen vrij in het raamwerk.
De ontwikkeling en bouw gingen snel vooruit en in 1909 begonnen de eerste proefritten van het prototype met sneltreinen tussen Frankfurt en Wiesbaden met vertegenwoordigers van het Pruisische Lokomotiv-ambt.
Zoals verwacht met het vermogen van 880 Psi en een topsnelheid van 100km/h voldeed de lokomotief aan alle verwachtingen, alleen wel vooruit….al bij de eerste tests openbaarde zich het gevaar van ontsporen bij het achteruit rijden!…veroorzaakt door het te grote achterste aandrijfwiel.
De machines werd derhalve op de eindpunten gekeerd met gevolg dat de verwachte tijdwinst teniet werd gedaan en deze tekortkoming was de oorzaak dat het bouwen na 12 machines in 1912 werd gestaakt (T10 Mainz 7401 tot 7412).

In 1919 moest een lok aan Frankrijk worden afgestaan in verband met de herstel betalingen, het gevolg van de eerste wereldoorlog.
Alle elf ander loks werden door de DRG overgenomen en in de baureihe 76 ondergebracht.
De 76 009 werd na een ontsporing buiten dienst gesteld en tot 1945 waren daarna de 76 005 en 76 007 buiten dienst gesteld.
Na de oorlog werd in 1947 de 76 011 via een Bremer handelsonderneming aan de Osthannoversche Eisenbahn verkocht, een jaar later de 76 002 aan de IImetalbahn.
In december 1949 deed de Deutsche Bundesbahn de overige zes stuks over aan de OHE waar de loks tot 1964 een thuis hadden en waar ze nog grote windleiplaten opgebouwd kregen.
Na 1964 zijn alle resterende machines naar de schroothoop gebracht zodat er geen enkele machine voor het nageslacht bewaard is gebleven.

Technische specificaties:

Baureihe: 76.
Indienststelling: 1909
As-indeling: 2’c h2
Gewicht: 76,1 T
Lengte: 11,80 M.
Snelheid: 100 KM
Kolenvoorraad: 3T
Watervoorraad: 7,5 M³
Vermogen: 880 PSi

Model: Fleischmann 4046