Geschiedenis Königsberg

Geschiedenis:
Königsberg officieel tot 1936 Königsberg in Preußen en daarna tot 1946 Königsberg (Preußen), tegenwoordig Kaliningrad was een Duitse stad in Oost-Pruisen.
Königsberg werd gesticht in 1255 en was van 1457 tot 1945 hoofdstad en zowel cultureel als economisch centrum van het oosten van Pruisen.
Het was de meest oostelijk en noordelijk gelegen grootstad van het Duitse Rijk.
De stad ligt in Samland dichtbij de Oostzeekust tussen het Wislahaf (Frisches Haff) en het Koerse Haf (Kurisches Haff).
Na de Tweede Wereldoorlog werd de verwoeste stad geannexeerd door de Sovjet-Unie en heropgebouwd onder de nieuwe naam Kaliningrad.

Middeleeuwen:
Reeds in de tiende eeuw was er een omwalde burcht aan de monding van de Pregel die de naam Twangste droeg.
Bij de burcht hoorde een dorpje en een haven als ontmoetingsplaats tussen Vikingen (Deense Vikingen zowel als de Vikingen uit Rusland) en handelslieden uit Noord-Duitse handelsplaatsen zoals met name Lübeck.
Toen de Duitse Orde in 1230 begon met de verovering van Pruisen, planden de Lübeckers een dochterstad, al lukte hen dat niet meteen.
Twangste werd bezet door de de Duitse Orde in 1255, als slotakte van de kerstening en verovering van het land van de heidense Pruzzen een aan de Litouwers verwant volk.
Een burcht werd opgericht en het latere stadsdeel Altstadt werd daarnaast in 1256 aangelegd, maar in 1263 tijdens een opstand van de Pruzzen weer verwoest en later opnieuw opgebouwd.
De Duitse Orde gebruikte Königsberg als basis voor verdere veroveringen in Samland en voor haar campagnes tegen het Grootvorstendom Litouwen.
In de jaren die volgden vestigden zich Duitse kolonisten in het gebied die zich vermengden met de oorspronkelijke Pruisische bevolking.
De laatsten assimileerden en namen eerst de Nederduitse en later na de reformatie de Hoogduitse taal over.
Het Oud-Pruisisch, net als Lets en Litouws een Baltische taal, leefde als plattelandstaal voort in de omgeving maar stierf in de 17de eeuw langzaam uit.
In 1286 kreeg de Altstadt stadsrechten en hoewel de groei van de stad al snel beperkt werd door zijn eigen stadsmuren, verrezen er in het ommeland al snel andere nederzettingen.
In 1300 kreeg ook het nabijgelegen Löbenicht stadsrechten.
Hoewel beide steden in principe onafhankelijk waren, vormden zij in de praktijk één nederzetting en de naam Königsberg werd al gauw voor beide steden gezamenlijk gebruikt.
In 1327 kreeg een derde nederzetting (Kneiphof) ook stadsrechten, zodat het nu een soort drielingstad was geworden, met drie raadhuizen en drie burgemeesters.
Deze merkwaardige toestand zou tot 1724 in stand blijven. Op het eiland Kneiphof werd tussen 1330 en 1380 de dom gebouwd. In 1340 trad de stad toe tot het Hanzeverbond.
De bisschop van Samland had in de stad zijn residentie.
Na de Dertienjarige Oorlog werd Pruisen in 1466 bij de Tweede Vrede van Thorn gesplitst. Königsberg bleef onder gezag van de Duitse Orde in Pruisen.
Na het verlies van het bestuurlijk centrum, de burcht Mariënburg, gelegen in West-Pruisen, werd het hoofdkwartier van de grootmeester (Hochmeister) in 1457 verplaatst naar Königsberg.

Nieuwe tijd::
De in 1834 opgerichte Deutsche Zollverein en de in 1867 opgerichte Noord-Duitse Bond omvatte in tegenstelling tot het Heilige Roomse Rijk en de Duitse Bond ook Oost-Pruisen.
In 1871 werden de Duitse staten verenigd in het Duitse Keizerrijk waartoe ook Oost-Pruisen behoorde. Vanaf deze tijd beleefde de stad een economische opleving.
Bestuurlijk werd haar functie beperkt tot de in 1878 nieuw opgerichte, anders gezegd herstelde, provincie Oost-Pruisen.
Door het Verdrag van Versailles werd Oost-Pruisen afgesneden van de rest van het Duitse Rijk.
Het nieuwe Polen kreeg met West-Pruisen de Poolse Corridor naar de Oostzee. De scheiding zorgde voor economische problemen.
Deze werden bewust door het nieuwe Polen bevorderd, in de hoop dat de enclave geworden provincie zich op den duur met dat land zou moeten gaan verbinden.
Vanuit Berlijn kwamen, om dat te verhinderen, juist aanzienlijke investeringskapitalen ter beschikking.
Burgemeester Hans Lohmeyer en Carl Friedrich Goerdeler richtten een bedrijf op, een vroege vorm van een beheersmaatschappij genaamd het Königsberger System.
De stad richtte een GmbH op, die eigendom van de stad bleef en de aandeelhouders bestonden uit politieke vertegenwoordigers.
Zo werden de bedrijven Königsberger Werke GmbH, Straßenbahn GmbH, Stiftung für gemeinnützigen Wohnungsbau GmbH en Königsberger Hafengesellschaft mbH opgericht.
Dit principe was een mijlpaal voor de stad en een voorbeeld voor andere steden.
De infrastructuur van de stad werd doelgericht veranderd.
Er kwam een groene gordel met verschillende parken die 602 hectare omvatte.
Omliggende gemeenten fuseerden met Königsberg zodat de stad nog groter werd.
De Seedienst Ostpreußen werd in het leven geroepen ter bevordering van de scheepvaart en de verbinding over zee met de rest van Duitsland, nu de Poolse corridor dat belemmerde.
In 1919 was al de Luchthaven Königsberg-Devau in gebruik genomen, het was de eerste burgerluchthaven in Duitsland.
In 1926 werd de nieuwe Reichsbahnbrücke geopend, wat gezien werd als een technisch wonder.

In 1929 werd het nieuwe Hauptbahnhof aan de zuidelijke stadsrand geopend en een jaar later het Nordbahnhof aan de Hansaplatz.
Het havenbekken werd verbreed en het toegangskanaal dieper gemaakt en de grootste silo van Europa werd er gebouwd.
IJsbrekers zorgden ervoor dat de haven ook in de winter bereikbaar was.
In 1920 opende Rijkspresident Friedrich Ebert de eerste Ostmesse, een grote beurs die tot 1941 regelmatig gehouden zou worden.
Op de plaats van de beurs werd ook het Huis van de Techniek gebouwd.
In 1930 werd voor de vele handelslieden aan de slotvijver het Parkhotel gebouwd.
In het kader van de Ostmesse werd ook de Ostmarken Rundfunk AG opgericht, zij vonden onderdak in het door Hans Hopp gebouwde Neue Funkhaus op de Hansaplatz.
Königsberg bereikte een dynamiek die bij geen andere Duitse stad voorkwam en haar bevolking groeide tot bijna 400.000 inwoners.

Königsberg en het Derde Rijk:
Tijdens de tijd van het nationaalsocialisme was Königsberg het hoofdkwartier van Gauleiter Erich Koch.
Het Fort Quednau werd tussen maart en juni 1933 gebruikt als voorlopige gevangenis voor tegenstanders van het nieuwe regime.
Het fort was een soort voorloper van de concentratiekampen. Oost-Pruisen was net als de andere voormalige oost-gebieden een van de meest pro-nazi provincies van het rijk.
Meer dan 55% van de bevolking stemde al voor de nazi’s bij de verkiezingen van maart 1933.
In de stad woonde een derde van de joden in Oost-Pruisen. Hun aantal slonk van 3.200 in 1933 tot 2.100 in 1938.
De synagoge van Königsberg die in 1896 gebouwd werd, werd verwoest tijdens de Kristallnacht in 1938. 500 joden vluchtten weg uit de stad.
Na de Wannseeconferentie van 20 januari 1942 werden de overgebleven joden gedeporteerd naar concentratiekampen.

In de Tweede Wereldoorlog kwam het na het begin van de Grote Vaderlandse Oorlog met de Sovjet-Unie al tot een eerste bombardement op de stad op 23 juni 1941.
De opmars van de Duitse Wehrmacht zorgde ervoor dat de Russen al snel bezweken. Door het feit dat de stad zo afgelegen lag in het Duitse Rijk bleef de stad lange tijd gespaard van andere aanvallen.
Grote luchtaanvallen op Königsberg volgden echter in de nacht van 26 op 27 augustus 1944 en vooral van 29 op 30 augustus.
Vooral de 480 brandbommen in die tweede nacht zorgden voor grote verwoesting. Vele delen van de stad brandden dagen lang.
De historische stadsdelen Altstadt, Kneiphof en Löbenicht werden verwoest. De helft, zo’n 200.000, van de inwoners van de stad werd dakloos.
Vooral de dom, het slot, vele kerken van de binnenstad, de nieuwe en oude universiteit werden getroffen. Tot 1945 herbergde het slot de legendarische barnsteenkamer, die sindsdien spoorloos is.
In 1945 werd de stad tot vesting uitgeroepen in het Oost-Pruisenoffensief.
De evacuatie van de burgerij om aan het oorlogsgeweld te ontkomen, werd verboden en op overtreding stond de doodstraf.
De bevolking zat in de val en velen kwamen om tijdens de drie maanden dat Königsberg werd verdedigd door de Wehrmacht, Waffen-SS en Volkssturm.
In de Slag om Königsberg namen de Sovjettroepen de stad uiteindelijk in en capituleerde generaal Otto Lasch op 9 april.