Tanks

Sturmgeschütz III

De Sturmgeschütz III was een mobiel aanvalskanon en tankjager op basis van een tank chassis.
Ze werden door Duitsland in zeer grote aantallen gebouwd, omdat ze zeer effectief waren en goedkoper om te produceren dan tanks als de PzKfw III en IV.

     

De ontwikkeling van de Stug (Sturmgeschutz) begon toen in 1935 Generaal Erich von Manstein een voorstel deed om een stormartillerie voertuig te ontwikkelen, deze kon dan ter ondersteuning van de infanterie ingezet worden, om snel en op elk terrein te kunnen opereren dacht men aan een onderstel met rupsbanden.
Op 15 juni 1936 werd er een order aan Daimler Benz AG gegeven om een gepantserd infanterie ondersteunings voertuig te ontwikkelen, uitgerust met een 75 mm kanon. Het kanon zou 25 graden moeten kunnen draaien en over een afstand van 6 km artillerie steun moeten kunnen geven, maar het moest ook effectief zijn bij op korte afstand. Het kanon moest in een gepantserde behuizing komen, voor bescherming van de bemanning, en het voertuig mocht niet hoger worden dan de lengte van een persoon. Daimler Benz die inmiddels ook bezig was met de ontwikkeling van de Panzerkampfwagen III (PzKfw III) besloot voor de Stug (Sturmgeschütz) hetzelfde onderstel te gebruiken.
Alkett produceerde in 1937 5 prototypen, die gebruikt konden worden voor tests. Deze waren uitgerust met een 75 mm SturmKanone (StuK), ontworpen door Krupp. Het testen gebeurde bij Kummersdorf, Doberitz en andere testfaciliteiten. De succesvolle prototypes worden tot 1942 gebruikt als trainingsvoertuigen.

De Stug werd in het begin vaak ingezet om samen met de infanterie machinegeweer nesten, kleine bunkertjes, versterkingen en andere obstakels uit de weg te ruimen. Later werden ze georganiseerd in Sturmgeschütz Abteilungen. Elke Abteilung bestond uit drie groepen, waarvan elke groep bestond uit 6 voertuigen. De commandant van de Abteilung had zijn eigen voertuig. Later werd het aantal voertuigen per groep verhoogd van 6 naar 10. Er zouden dan per Abteilung 31 voertuigen aanwezig moeten zijn, dit werd in de praktijk zelden gehaald. De onderdelen die wel af en toe 31 voertuigen ter beschikking hadden waren de elite eenheden van de Wehrmacht (zoals de Grossdeutschland divisie) en de Waffen SS (zoals LSSAH , Das Reich en de Totenkopf divisie). Deze divisies hadden een Abteilung Stug’s ook als permanent onderdeel in hun divisie.
Naarmate de oorlog vorderde werd de Stug ook ingezet als tankjager, veelal in defensieve rol. Dit kwam ook door de diverse verbeteringen die het voertuig onderging naarmate de oorlog vorderde.

Uitvoering G was de uiteindelijke uitvoering van het Sturmgeschutz III.
De produktie begon op december 1942 en bleef in produktie tot maart / april 1945. Van deze uitvoering werden er maar liefst 7.893 stuks geproduceerd door Alkett (Altmaerkische Kettenfabrik GmbH) en MIAG (Muehlenbau-und-Industrie AG). De G maakte gebruik van chassis, motor en ophanging van uitvoering F/8. De opbouw werd iets verbreed en de pantserplaten werden onder hoeken geplaatst (kogels en granaten ketsen dan eerder af). De bovenkant werd aan de achterkant iets verhoogd, wat voor meer ruimte binnenin zorgde en ook aan de achterkant kwamen de pantserplaten onder een hoek te staan.
Andere veranderingen waren het bijplaatsen van periscopen voor de commandant en het pantser aan de voorkant werd verzwaard van 50 tot 80 mm. Tevens hadden sommige uitvoeringen G periscopen voor de bestuurder, 5 mm zijplaaten naast de rupsbanden (skirts), een extra machinegeweer, afstandbediening voor het machinegeweer en nog vele andere kleine toevoegingen of wijzigingen die per voertuig konden verschillen.
De Sturmgeschutz series werden gezien als uiterst succesvol en dienden aan alle fronten, als aanvals kanon en tankjager in zowel offensieven als defensieve rol. Omdat de tank zo laag was (ongeveer 2 m) werd deze vaak pas laat opgemerkt door de vijand en was het vaak al te laat. De bemanningen werden altijd gezien als de elite, dit kwam voornamelijk door de zeer indrukwekkende tankscores van bemanningen, 20.000 tankkills waren er al genoteerd tot lente 1944.
Van alle varianten, subvarianten en op Stug III gebaseerde tanks zijn er totaal 9500 gebouwd door voornamelijk Alkett en diverse door MIAG.

Productieaantallen:

Ausf A Januari – mei 1940 30 stuks
Ausf B juni – mei 1941 320 stuks
Ausf C mei – september 1941 50 stuks
Ausf D mei – september 1941 150 stuks
Ausf E september 1941 – maart 1942 272 stuks
Ausf F maart – september 1942 360 stuks
Ausf F/8 september – december 1942 334 stuks
Ausf G december 1942 – maart 1945 7720 stuks

Technische specificaties:
Uitvoering: Stug III Ausf. G
Gewicht: 23.900 kg
Bemanning: 4
Motor: Maybach HL 120 TR /12 cilinder 300pk
Snelheid: 40 km/u op de weg, 28 km/u in terrein
Bereik: 160 km op de weg
Terrein: 140 km
Lengte: 6.77m.
Breedte: 2.95m.
Hoogte: 2.16m.
Bewapening: 75 mm StuG 37 L/24 + 2 x 7,92 mm MG 34 of MG 42
Model: Roco Nö 176

PzKpfw IV

De PzKpfw IV werd oorspronkelijk ontworpen in 1934 in opdracht van de Wehrmacht om een tank te ontwikkelen voor het geven van ondersteuning aan de pantserdivisies en de infanterie bij aanvallen op versterkte posities.
Een tank die dus in staat moest zijn om bunkers en anti-tankkanonnen uit te schakelen met hoog-explosieve munitie.

     

De machine mocht niet meer dan 24 ton wegen, moest als bewapening een 75 mm L/24 kanon met korte loop krijgen en een bemanning van 5 man kunnen herbergen. Er waren 3 grote bedrijven die meedingden naar de lucratieve order van de Wehrmacht: MAN, Krupps en Rheinmetall-Borsig.
Het was deze laatste firma die tegen het eind van 1934 een houten model had gemaakt en aan het begin van 1935 de eerste prototypen afleverde. Deze machines werden getest in Kummersdorf en wogen 18 ton, hadden een motor met 320 pk en konden 30 km/u over het terrein halen. Deze voertuigen waren nauwelijks bepantserd met staal van 14 mm maximale dikte. Een apart detail is dat deze tanks standaard 140 granaten voor het kanon konden vervoeren.

Ausf. F(2) en Ausf. G.
Het in de haast ontwikkelde type met het langere kanon kwam in eerste instantie als Ausf. F(2) uit de fabrieken maar alle tanks van dit type werden 2 maanden later Ausf. G genoemd.
Ze werden gebouwd op een iets langer chassis en werden voorzien van een nog dikkere bepantsering. Ook werden de karakteristieke zijplaten (de “Schürzen” bepantsering) aan de G variant toegevoegd. Deze boden de tank wat hoognodige extra bepantsering. Heel belangrijk om hier op te merken is dat de rol van de tank met het in gebruik nemen van de F(2) en G totaal was veranderd.
De PzKpfw IV was een “volwassen” tank geworden in plaats van een tank met taken ter ondersteuning van andere voertuigen. En in deze rol beviel hij uitstekend. De bemanningen waren zeer enthousiast over de prestaties van de tank.
Door zijn lange voorgeschiedenis waren er grote hoeveelheden reserveonderdelen beschikbaar voor reparaties. Het kanon was zeer wel in staat om elke tank van dat moment uit te schakelen, kortom de PzKpfw IV was een zeer succesvolle tank geworden.
Tijdens de productie van de Ausf. G werd ook overgeschakeld op een nog sterker kanon: de 75mm L/48.
Het verschil tussen de L/43 en de L/48 lag niet zozeer in het kaliber (beiden 75mm) maar in de mondingssnelheid van het projectiel. Met een hogere mondingssnelheid kon hetzelfde projectiel zich door een veel dikker pantser boren.
Zo was ook de KV1 kwetsbaar geworden voor de PzKpfw IV. Toen de Engelsen en Amerikanen met hun Cruisers en M3 Grants het keer op keer moeten afleggen tegen de PzKpfw IV in de woestijnen van Noord Afrika gaven zij deze de naam: “Mark IV Special”. Special wilde in dit geval zeggen “superieur”. Ook op de bevroren toendra’s van centraal Rusland was de Ausf. G te vinden en daarom kreeg dit type een speciale pomp aan boord waarmee heet water van de ene tank naar de andere kon worden overgepompt.
Dit om tanks te starten die een paar uur hadden stilgestaan.

Technische specificaties:
Uitvoering: PzKpfw IV Ausf. G
Gewicht: 23.500 kg
Bemanning: 5
Motor: Maybach HL 120 TRM / 12-cylinder / 300pk
Snelheid: 40 km/u op de weg, 20 km/u in terrein
Bereik: 210 km op de weg
Terrein: 130 km
Afmetingen: Lengte: 6.63m.
Breedte: 3.33m.
Hoogte: 2.68m.
Bewapening: 75mm L/48 kanon, 2 x 7.92mm MG34
Munitie: 75mm – 87 granaten, 7.92mm – 2250 patronen

Model: Roco Nö 705

PzKpfw V Panther

In november 1941 gaf Hitler aan Wa Pruef opdracht om aan deze nieuwe tank te beginnen.
In december gaf Wa Preuf Daimler-Benz en MAN de opdracht een nieuwe 30-tons tank te ontwikkelen met een 75mm KwK L/70 kanon, als reactie op de T-34/76. Rheinmetall-Borsig kreeg opdracht om de koepel te ontwikkelen.

     

In maart 1942 had Daimler-Benz als eerste een ontwerp klaar van hun versie van de nieuwe tank met ontwerpnummer VK3002. Deze was op basis van het eerder verworpen ontwerp VK3001. VK3001 was een exacte kopie van de Russische T-34/76, dat snel afgekeurd werd.
MAN had zijn ontwerp van VK3002 klaar in het begin van de lente van 1942.
Technisch gezien had de Panther een groot aantal overeenkomsten met de Russische T-34, zoals brede rupsbanden, een krachtige motor, een 75 mm kanon met lange loop, en het pantser onder een hoek (kogels en granaten ketsen eerder af).
De Panther was ook weer behoorlijk verschillend, want hij was groter, zwaarder, grote overlappende wielen en een bijzonder veringssysteem, wat hoge snelheden in ruw terrein mogelijk maakte.
Vanaf juli werden twee prototypes geproduceerd, waarvan één met koepel voor tests. Er kwamen een groot aantal technische mankementen aan het licht. Er werd besloten een eerste order van 1000 stuks te plaatsen, waarvan de eerste modellen in begin 1943 klaar moesten zijn. Eind 1942 werd een kleine serie (20 stuks) modellen geproduceerd als voorserie, dit werd de nul-serie. Ze werden aangeduid als PzKpfw Ausf. A en waren technisch anders dan de Ausf. A productie modellen. Alle 20 waren ze licht bepantserd en bewapend met een 75 mm KwK 42 L/70 kanon. De aandrijving bestond uit een Maybach HL 210 P 45 motor van 650 pk met een cilinderinhoud van 21 liter.

Ausf. A
In augustus 1943 werden na reparaties en veranderingen aan de versnellingsbak en wat andere zaken een nieuwe variant geproduceerd, de Ausf. A. Deze had tevens ook een bevestigingspunt voor een MG34 op de koepel tegen vliegtuigen en een MG34 in een bal gemonteerd in de voorkant.
Ook had de Panther nu standaard zijplaten, de zogenaamde Schürzen. Het uitlaatsysteem werd constant gewijzigd, maar dit resulteerde elke keer niet in een andere uitvoering. De uitvoering A was het belangrijkste Panther model dat in Normandië vocht, en er zijn daar in totaal ongeveer 400 stuks verloren gegaan.

Ausf. F
Weer een nieuw ontwerp van de Panther, Ausf. F was gereed in mei 1944.
Deze uitvoering zou een nog zwaardere bepantsering hebben, en een compleet nieuwe geschutskoepel, namelijk de Schmalturm koepel. Deze verzie zou in tegenstelling tot de Ausf. G weer voorzien worden van ‘gewone’ rubberen wielen. Van deze uitvoering is maar één compleet prototype voltooid in januari 1945, vanwege Duitslands oorlogssituatie.
Er zijn bronnen die zeggen dat Daimler-Benz nog enkele tanks van deze uitvoering heeft geproduceerd. Deze hebben mogelijk nog aan de gevechten deelgenomen.

Ausf. G
Nadat er elke keer weer nieuwe berichten van het front binnenkwamen over waar verbeteringen mogelijk waren, en de ontwikkeling van nieuwe technieken, werd ook de Panther elke keer verbeterd. In Maart 1944 rolde de eerste Ausf. G van de lopende band. Dit zou in aantal het belangrijkste model worden.
Enkele nieuwe dingen waren: nieuw ontworpen luiken in de romp, verwijderde kijkgleuf voor de bestuurder, met daarvoor in de plaats een draaibare peroscoop. Een nieuw ontworpen motordek, nieuw uitlaatsysteem, andere vering en nog diverse kleinere wijzigingen.
Ook werd er met dit model getest met compleet stalen wielen zonder de rubberen laag.
Vanaf maart 1944 tot april 1945 werden er 2.950 Ausf. G’s geproduceerd bij MAN, MNH en Daimler Benz.
De totale productie van de Panther lag op ongeveer 6.000 stuks.
Wanneer een tank van het front terug kwam, werd deze vaak gerepareerd met reserve-onderdelen van een nieuwere versie, waardoor tanks ontstonden die niet meer bij een bepaalde versie hoorden.

Technische specificaties:
Uitvoering: PzKpfw V Ausf. D & G
Gewicht: 43000 kg
Bemanning: 5
Motor: Maybach HL 230 P 30
Snelheid: 46 km/u op de weg, 24 km/u in terrein
Bereik: 200 km op de weg
Terrein: 177 km
Lengte: 6.68m.
Breedte: 3.33m.
Hoogte: 2.68m.
Bewapening: 75 mm KwK 42 L/70 & 3 x MG
(1 x MG 34 – hull)
(1 x MG 34 – coaxial)
(1 x MG 42 – cupola)
Munitie: 75mm – 87 granaten, 7.92mm – 2250 patronen

Model: Trident Nö 97027

PzKpfw VI Tiger

De ontwikkeling van de Tiger startte al in 1937 bij Henschel. Deze fabrikant vervaardigde tussen 1937 en 1941 diverse prototypes van verschillende middelzware en zware tanks zoals de VK 3001, VK 3601 en VK 6501. Tegelijkertijd ontwikkelde Porsche zijn VK 3001 Leopard middelzware tank.

     

Deze tanks werden nooit in productie genomen, maar waren nuttig voor het uiteindelijke ontwerp van de Tiger.
Vandaar ook dat de Tiger ook bekend staat als de Ausführung E. De uitvoeringen A tot en met D waren allemaal ontwerpen op papier.
Op 26 mei gaf Adolf Hitler orders aan beide producenten om een zware tank te ontwikkelen die in de zomer van 1942 klaar moest zijn.
Krupp kreeg de opdracht de bewapening te leveren en de koepels voor de ontwerpen van Henschel en Porsche. Het project werd Tigerprogram genoemd.

Henschels ontwerp was gebaseerd op de VK 3001 en VK 3601, terwijl Porsche’s ontwerp gebaseerd was op de VK 3001 Leopard.
De nieuwe tank zou 45 ton moeten gaan wegen en een 88mm KwK L/56 kanon gemonteerd moeten hebben. De geschutskoepel werd ontworpen door de firma Krupp. De ontwikkeling van de Porsche Tiger verliep veel sneller dan de ontwikkeling van Henschel, omdat Porsche al aan een zware tank bezig was sinds de herfst van 1940.
Henschel was nog niet ver gevorderd maar gebruikte al beschikbare onderdelen van de eerdere prototypes. In de zomer van 1941 besloot Henschel om twee prototypes te bouwen, namelijk de VK 4501.
Het eerste model werd uitgerust met een 88mm-kanon en het tweede model met een 75mm-kanon van Rheinmetall. Van dit laatste model werd alleen een houten model gemaakt.
Eind 1941 besloot Henschel alleen nog maar het eerste model te gebruiken voor verdere ontwikkeling. Het prototype was klaar op 17 april 1942.
De eerste test met dit voertuig viel zwaar tegen vanwege verschillende technische mankementen. Op 17 april 1942 werden de prototypes gepresenteerd aan Hitler.
In juli 1942 werden beide prototypes aan zware tests blootgesteld op de tankschool in Berka in Duitsland. Het prototype van Porsche presteerde niet naar behoren, terwijl het prototype van Henschel wel voldeed aan de verwachtingen.
Er werd besloten om Henschel’s prototype te gebruiken als basis voor het productiemodel. Het prototype van Porsche werd daarom gebruikt als basis voor het ontwerp van een nieuwe tankjager, die Ferdinand genoemd werd. Later werd deze naam omgedoopt in Elefant.

Als motor werd de Maybach 210 P45-benzinemotor gebruikt. Deze motor had 12 cilinders opgesteld in een V-vorm en een maximaal vermogen van 650pk. Deze motor was niet erg betrouwbaar en daarom werden latere modellen uitgerust met de watergekoelde Maybach 230 P45-benzinemotor.
Deze motor beschikte eveneens over 12 cilinders en had een maximaal vermogen van 700pk. Het type koppeling dat gebruikt werd was een meervoudige droge plaatkoppeling, die hydraulisch bediend werd.
Als versnellingsbak werd een niet-gesynchroniseerde wisselbak van Maybach gebruikt met 8 versnellingen vooruit en 4 versnellingen achteruit. De Tiger had als topsnelheid op de weg 38 km/h en in het veld 10 tot 20 km/h.
De benzinetank had een inhoud van 534 liter en het maximum bereik van de tank was 140km op de weg.
Aangezien er in Rusland nauwelijks verharde wegen beschikbaar waren was het bereik in Rusland maar klein en ze moesten dan ook voortdurend bijgetankt worden.

De bepantsering van de Tiger varieerde van 25mm tot 110mm.
Toen de Tiger op het slagveld verscheen waren de lessen van de Russische T-34/76 nog niet opgenomen in de Tiger. De T-34/76 had een schuine bepantsering. Deze zorgde ervoor dat de granaten afketsten omdat ze niet in een hoek van 90º konden doordringen. Bij de Panther en de Königstiger was deze verbetering wel in het ontwerp opgenomen. Maar toen de Tiger pas op het slagveld verscheen waren er toch nog geen Russische en geallieerde kanonnen die de Tiger van een lange afstand konden uitschakelen.
De Tiger was uitgerust zoals al eerder vermeld met een 88mm-kanon. Dit kanon was afgeleid van het 88mm FLAK luchtdoelgeschut. Het was het 88mm Kwk 36 L-56-kanon.
Het kanon werd elektrisch bediend door de schutter. In de Tiger konden 92 granaten meegenomen worden. In de vroege productiemodellen werd de tank uitgerust met 2 MG-34 machinegeweren en er waren 4500 patronen beschikbaar. In de latere productiemodellen werden er zelfs 3 machinegeweren geplaatst. Hierdoor werd ook het aantal patronen vermeerderd tot 5700. Ook werden er op de vroegere productiemodellen 6 rookgranaatlanceerinstallaties aangebracht.

In de eerste 500 Tigers werd een snorkeluitrusting gemonteerd zodat de Tiger onder water kon rijden tot een diepte van 4 tot 5 meter. Er kon 2,5 uur onder water worden gebleven. Bij latere modellen werd dit niet meer gebruikt.
In het veld werden de Tigers ook vaak aangepast onder andere met een zimmeritlaag. Deze laag zorgde ervoor dat magneetbommen niet meer konden kleven aan de tank doordat er geen magnetisch veld gevormd zou kunnen worden. In de praktijk bleek dit niet te functioneren. Ook brachten bemanningen speciale platen aan om het aankleven van modder te voorkomen in het ophangingsysteem.
Er werden in totaal 1355 Tigers geproduceerd vanaf juli 1942 tot augustus 1944. Het produceren van de Tiger was zeer gecompliceerd. De productiekosten van de Tiger waren daardoor zeer hoog. Henschel produceerde het chassis en Wegmann de geschutskoepel, terwijl Maybach de motor verzorgde. Deze losse gedeelten werden uiteindelijk samengevoegd bij Henschel.
Van de 1355 geproduceerde Tigers waren 500 tanks bestemd voor SS-pantserdivisies.
De rest ging naar de reguliere pantserdivisies.

Technische specificaties:
Uitvoering: PzKpfw VI Ausf. E
Gewicht: 56000 kg
Bemanning: 5
Motor: Maybach HL 230 P45, 12 cilinders, 700 pk (laat model)
Snelheid: 38 km/u op de weg, 20 km/u in terrein
Bereik: 140 km op de weg
Terrein: 177 km
Lengte: 8,45m.
Breedte: 3.7m.
Hoogte: 2.93m.
Bewapening: 88mm KwK L/56 kanon & 3 x MG
(1 x MG 34 – hull)
(1 x MG 34 – coaxial)
(1 x MG 42 – cupola)
Munitie: 88mm – 92 granaten, 7.92mm – 4500-5700 patronen

Model: Roco Nö 700

Jagdpanther

In augustus 1942 besloot het Waffenamt om op basis van het chassis van de PzKpfw Panther Ausf G. en de nodige componenten van diezelfde tank, een Sturmgeschütz te ontwerpen, welke het op dat moment nieuw ontwikkelde 88mm kanon zou kunnen dragen.

     

Op 20 oktober 1942 werd een werkend model, tegelijk met houten modellen voor de PzKpfw VIb Königstiger en de Jagdtiger aan Hitler gepresenteerd.
In januari 1944 kon gestart worden met de productie.
Volgens planning zouden er ongeveer 150 Jagdpanthers per maand geproduceerd worden, het hoogste productieaantal bleef steken op 72 stuks, wat het totaal aantal geproduceerde Jagdpanthers op 392 bracht. Dat de geplande aantallen niet gehaald werden, is voornamelijk te wijten aan de toenemende bombardementen door de Geallieerden, welke grote materiele en logistieke schade toebrachten. Het Jagdpanther ontwerp was gebaseerd op het chassis van de PzKpfw V Panther Ausf. G, waarbij de opbouw een verlenging was van de bodem en zijwanden. De opbouw kon beschouwd worden als het tanksscompartiment. De Jagdpanther verschilde op heel weinig punten van de Panther, afgezien natuurlijk van het ontbreken van een koepel. Dit vergemakkelijkte wel de productie van de Jagdpanther, en reduceerde de kostprijs.
De technische specificaties komen in het algemeen overeen met die van de Panther. Ook de Jagdpanther was voorzien van het uitstekende 88mm kanon met lange loop (Pak 43/3 L71); dit zelfde kanon werd ook toegepast in de Königstiger. Het kanon was in staat om vijandelijke tanks op afstanden van ruim 2000 meter uit te schakelen.
Bescherming van het kanon werd bereikt door het toepassen van een kenmerkend stuk bepantsering; een soort stalen mantel, wat bij de bemanningen al snel de bijnaam “Saukopf” oftewel “Zwijnenhoofd” kreeg.

Het grote nadeel van het hele concept is wel dat het kanon een beperkte breedteverstelling had (13 graden beide kanten op), waardoor het voertuig altijd eerst in de juiste richting gemanoeuvreerd moest worden, voordat er geschoten kon worden. Dit koste nogal wat tijd en was zeker in een tankslag, waarbij wendbaarheid een must is, verre van ideaal.
Op basis van opgedane ervaringen in de frontlinie werden er nog de nodige aanpassingen aan het ontwerp doorgevoerd. Zo werden er bijvoorbeeld beschermende stalen platen voor de rupsbanden gelast, kreeg de Jagdpanther een nieuw uitlaatsysteem en zelfs een brandblusinstallatie.
De meeste Jagdpanthers werden naar het Oostfront gestuurd. Een bataljon nam deel in de strijd volgend op D-Day en de grootste concentratie van Jagdpanthers nam deel aan de Slag om de Ardennen.
Waar ze in actie kwamen, maakten ze de nodige slachtoffers en waren ze alom gevreesd. In juli 1944 bijvoorbeeld vernietigde 3 Jagdpanthers zo’n 12 Churchill-tanks binnen 5 minuten. Plannen om de Jagdpanther te voorzien van een 128 mm kanon lagen al klaar, maar het einde van de oorlog kwam te snel om deze nog uit te werken. Daarnaast gaan er geruchten dat aan het einde van de oorlog een paar Jagdpanthers voorzien waren van infrarood apparatuur, zoals ook wel toegepast op de reguliere Panthers, alleen is hier geen bewijsmateriaal van voor handen.

Technische specificaties:
Uitvoering: Jagdpanther early
Gewicht: 45.500 kg
Bemanning: 5
Motor: Maybach HL 230 P 30, 12 cilinders, 700 pk
Snelheid: 46 km/u op de weg, 24 km/u in terrein
Bereik: 210 km op de weg
Terrein: 140 km
Lengte: 9.86m.
Breedte: 3.28m.
Hoogte: 2.51m.
Bewapening: 88mm PaK 43/3 L/71 kanon, 7,92 mm MG 34
Model: Trident Nö 97011