Na de oprichting van de Deutsche Reichsbahn begin jaren twintig en na de inventarisatie van de locomotieven van de toenmalige länderbahnen bleek er behoeften te bestaan aan nieuwe eenheids sneltreinlocomotieven.
Locomotieven waarvan veel onderdelen hetzelfde zijn en waarvan de series uit grote aantallen bestaan.
Op die manier was het onderhoud met locomotieven die veel dezelfde onderdelen hadden en dus het rijdend houden een stuk goedkoper.
In talrijke beraden had de commissie voor eenheidslocomotieven in mei 1921 besloten dat er een nieuwe sneltreinlocomotief moest worden gebouwd.
Als antwoord op deze behoeften ontstond er een programma van 12 eenheidstypen die sterk waren beïnvloed door de Pruisische locomotiefbouw.
De eerste sneltrein locomotief moest een model worden met de as-indeling 2’C1′ en moest een as-last van 20 t hebben.
De maximumsnelheid werd op 120 km/u gesteld.
Voor dit eenheidsprogramma werden meerdere fabrikanten ingeschakeld en deze kwamen alle met hun eigen aanvullingen en verbeteringen zodat er uiteindelijk een eenheid ontstond van fabricage en onderdelen.
De bij Borsig, Henschel en Maffei ingediende ontwerpen waren vooral viercilinder locomotieven met één en twee-assige aandrijving.
Er werd ook overwogen om een 2’C1′ locomotief te bouwen met een tweecilinder aandrijving.
In 1925 viel de beslissing, om tien locomotieven van beide soorten te bestellen en om in een testprogramma er zo achter te komen wat nou de beste aandrijving zou zijn voor de seriebouw.
De tweecilinders ontstonden bij Borsig als 01.001 t/m 008 en bij AEG als 01.009 en 010.
Henschel bouwde de viercilinder locomotieven 02.001 t/m 008 en Maffei leverde de 02.009 en 010.
Nadat de locomotieven waren geleverd en het testprogramma was afgewerkt, werd uiteindelijk gekozen voor de baureihe 01.
In 1927 begon de seriebouw van de baureihe 01.
Bij deze serie werden de locomotieven 01.012 t/m 01.076 geleverd (de locs 01.001 t/m 01.010 waren de voorserie locs).
De levering duurde tot in 1928.
Deze tweede serie beschikte nog over de kleine windleibladen en zoals bij de eerste 10 proefexemplaren over een ketel met een lengte van 5,8 meter.
Bij de derde serie in 1930/31 met de locomotieven 01.077 t/m 01 101 was de ketel verlengd naar 6,80 m en was een gesloten frontschort onder de rookkamerdeur gemonteerd.
De doorsnede van de cilinder was verkleind van 65 cm naar 60 cm.
Vanaf 1934 tot in 1936 ontstond bij de Berliner Maschinenbau AG, Henschel en Krupp de vierde serie met de nummers 01.102 t/m 01.190.
De diameter van de wielen was bij deze serie vergroot van 85 cm naar 1 meter, een verbeterde reminstallatie met “Scherenbremsen” aan de drijfwielen en eenzijdige remmen voor de loopassen.
De maximumsnelheid was bij deze serie verhoogd naar 130 km/u.
De vijfde en laatste serie locomotieven 01 werden in 1937/38 geleverd met de nummers 01.191 t/m 01.232.
Deze hadden maar een paar kleine wijzigingen ten opzichte van de voorgaande serie.
Zo waren de aandrijfassen vast gelagerd aan een stangenraam.
In totaal werden er 231 locomotieven van de baureihe 01 gebouwd en in dienst gesteld door de Deutsche Reichsbahn tussen 1925 en 1938.
Midden jaren dertig had de Deutsche Reichsbahn de wens om sneltreinlocomotieven in te zetten waarvan de maximumsnelheid minimaal 150 km/u bedroeg.
Door het snelgroeiend SVT net bestond er behoeften aan dit soort locomotieven om het SVT net te ontlasten.
Berliner-Maschinenbau-AG, voorheen L.Schwartzkopff-Berlin ontwikkelde een driecilinder variant van de baureihe 01.
De geplande 250 locomotieven kregen de type aanduiding 01.10, deze locomotieven werden gekenmerkt door de stroomlijnbekleding.
In 1939 werd de eerste locomotief van deze serie als 01.1001 in dienst gesteld.
Maar al reeds bij de eerste proefritten bleek de temperatuur onder de bekleding nogal hoog op te lopen, zodat voor voldoende luchttoevoer er een deel van de locomotief weer moest worden uitgekleed.
Om oververhitting en storingen te voorkomen werd de maximumsnelheid verlaagd en op 140 km/u gesteld.
De locomotieven waren technisch bijna identiek aan de baureihe 01, alleen was de 01.10 een driecilinder en de 01 een twee cilinder locomotief.
Door het uitbreken van de tweede wereldoorlog werd een veelvoud van het aantal bestellingen geannuleerd.
Totaal zijn er maar 55 locomotieven van de baureihe 01.10 gebouwd.
Deze locs hadden de nummers 01.1001 en 01.1052 t/m 1105.
Alle locomotieven van de baureihe 01.10 haalden zonder al te veel schade het einde van de tweede wereldoorlog en waren nog grotendeels bedrijfsvaardig.
Alleen moest de verroeste en beschadigde stroomlijnbekleding verwijderd worden en eventuele schades worden gerepareerd.
Veel van deze locomotieven hebben tot in de jaren 70 hun diensten bewezen en enkele rijden er nu nog rond bij museumlijnen.


Baureihe: 01.
Indienststelling: 1925-1938
As-indeling: 2’C 1′ h2
Tender: 2’2T30, 2’2T32, 2’2T34
Gewicht: 108,9T + 61,5T
Lengte: 23,94 M.
Snelheid: 130 KM
Kolenvoorraad: 10T
Watervoorraad: 34 M³
Vermogen: 2240 PSi
Model: Roco 63209, Brawa 40900, 40916, 40952
Baureihe: 01.10.
Indienststelling: 1939-1940
As-indeling: 2’C 1′ h2
Tender: 2’3T38
Gewicht: 118,9T + 61,5T
Lengte: 24,13 M.
Snelheid: 140 KM
Kolenvoorraad: 10T
Watervoorraad: 34 M³
Vermogen: 2120 PSi
Model: Roco 63205, Liliput 111103




