Begin jaren dertig was het geld voor nieuwe ontwikkelingen bij de Deutsche Reichbahn nagenoeg op en op dat moment ontstond bij de industrie de angst om technisch gezien de aansluiting te missen met de industrie uit andere landen.
Daarom werd op eigen kosten door een aantal bedrijven een aantal nieuwe elektrische proeflocomotieven ontwikkeld die aan de Deutsche Reichbahn ter vergelijking aangeboden werden.
Deze bedrijven waren Wismar/SSW, BMAG/BEW en BMAG/MSW.
De techniek die bij deze elektrische locomotieven werd beproefd bestond uit een manier om de rijmotoren in een zogenaamde tramophanging in de draaistellen te plaatsen.
Deze techniek werd reeds toegepast bij elektrische versies in Beieren zoals de E73 en ook in Oostenrijk werd deze techniek sinds 1923 met succes toegepast.
Het basisontwerp van de locomotieven was gelijk, maar in de individuele uitvoering bestonden vrij veel verschillen.
Allereerst volgen hier de proeflocomotieven, daarna de serie locomotieven.
De eerste uit de proeflocomotieven E44.70, E44.80 en E44.90 gebouwde serielocomotieven werden door de Deutsche Reichbahn in 1933 in dienst genomen.
De locs E44.002 t/m E44.021 werden in dienst genomen bij de Bw’s München Hbf en Stuttgart.
De E44 werd gebruikt als eenheidslocomotief voor zowel personen als goederentreinen op alle geëlektrificeerde trajecten in Duitsland en werd daarom “Mädchen für alles” genoemd.
De locomotieven waren uitgerust met een Tatzlager aandrijving.
Tot augustus 1943 werden er 149 locomotieven in dienst gesteld als E44.002 t/m E44.151.
Voor de geëlektrificeerde bergachtige trajecten in Oostenrijk werden door de Deutsche Reichbahn E44 locomotieven besteld met elektrische weerstandsremmen (370 kW).
Van de geplande E 44.152 t/m E 44.191 werden in mei 1943 de E44.152 en E44.153 in Freilassing in dienst genomen.
Aan hun bedrijfsnummers werd een hooggeplaatste W toegevoegd.
Tot het einde van de oorlog werden er in Freilassing 10, in Augsburg 5 en in München 9 E44W locomotieven in dienst gesteld.
Voor de aflossing van de E36 en E36/2 bestelde de Deutsche Reichbahn vier serie locomotieven bij AEG als vervolg van de proefloc E44.90 (E 44.101).
AEG nam de elektrische uitrusting over van de inmiddels failliet gegane MSW.
De locomotieven werden in het voorjaar van 1933 als E44.102 t/m E44.105 in Freilassing in dienst genomen.
De locomotieven werden samen met de proeflocomotief in 1938 veranderd in E44.501 t/m E44.505 en hebben de langste tijd gereden op de Berchtesgadener lijn.
Alleen in 1943/44 in München Ost en in 1946/50 in Garmisch-Partenkirchen waren ze soms te zien.
Uiterlijk is deze serie te herkennen aan de rechte fronten, zonder uitbouw.
De loopeigenschappen waren zo goed dat de laatste afgeleverde locomotieven zelfs voor 90 km/u geschikt waren.
Zij werden tussen mei 1934 en januari 1935 bij het Bw Freilassing als E44.106 t/m E44.109 afgeleverd en in dienst gesteld.
Vanaf 1938 waren ze als E44.506 t/m E44.509 aangeduid.
Hun inzetgebied was voornamelijk de lijn naar Berchtesgaden alsook de lijn naar Salzburg.
Zij werden vanaf 1968 als 144.506 t/m 144.509 aangeduid.
In de jaren vijftig en begin zestig werden de locomotieven ingezet in diensten voor lange afstand treinen in vooral Zuid-Duitsland.
De locomotieven zijn in West-Duitsland in 1984 buiten dienst gesteld.
Technische specificaties:
Baureihe: E44.
Indienststelling: 1930-1943
As-indeling: Bo’Bo
Gewicht: 79,2T
Lengte: 14,53 M.
Snelheid: 90 KM
Vermogen: 2200 KW
Baureihe: E44.5
Indienststelling: 1933-1945
As-indeling: Bo’Bo
Gewicht: 79,1T
Lengte: 14,52 M.
Snelheid: 90 KM
Vermogen: 2200 KW
Model: E44 Roco 43042, 63616, 72542
Model: E44.5 Roco 43410


