Br 18.3

De Grossherzogliche Badische Staatsbahn bestelde in 1915 bij Maffei in München 20 locomotieven met de as-indeling 2″C1″ (Pacific) om de Rheintalbahn effectiever te kunnen bedienen.
De als IV h aangeduide locomotief moest voornamelijk tussen Mannheim en Basel ingezet worden en daarom werd de constructie compromisloos als sneltreinlocomotief voor het vlakke land ontworpen.

De doorsnede van de aandrijfwielen met 2.100 mm werd pas na de tweede wereldoorlog door een loc met dezelfde as-indeling door de 18 201 van de Deutsche Reichsbahn (DDR)overtroffen.
De maximumsnelheid werd niettemin op 110 km/h ingesteld, wat rem-technische redenen had.
Op basis van de resultaten van de Eerste Wereldoorlog werd de loc van 1918 tot 1920 in 3 series aangeschaft.
Toen in 1920 de laatste IV h door de fabrikant overgegeven werden, was de Badische Staatsbahn reeds in de Deutsche Reichsbahn opgenomen, die alle 20 locomotieven als serie 18.3 in haar bestand indeelde.
De machines werden in het Bw Openburg gestationeerd en waren de paradesneltreinlocs op de Rheintalstrecke en ook heel vaak voor de nieuwe luxe trein van de Deutsche Reichsbahn, de Rheingold aan te treffen.
Maffei construeerde voor de IV h een viercilinder compounddrijfwerk, waarbij de binnenliggende cilinders ver naar voor gepositioneerd zijn en de loc haar onmiskenbare voorkomen geeft.
Hoewel de ketel van de IV h toentertijd de grootste in Duitsland was beschikte hij niet over al te grote reserves, omdat de waterinhoud relatief klein bemeten was.
Het oververhitter-oppervlakte was evenzo klein bemeten, waardoor de stoom slechts een temperatuur van 330 °C bereiken kon.
Op grond van deze feiten was het verbruik aan water en kolen relatief hoog en lag wezenlijk boven die van de latere eenheidslocomotieven van de Deutsche Reichsbahn Gesellschaft.
Ook de tender draagt aan het karakteristieke aanzien van de loc bij.
Hij is ongewoon kort met een draaistel en heeft twee aan elkaar gelagerde assen in het frame.
De Badische IV h was tijdens haar inzet op basis van haar gecompliceerde techniek noch bij het locpersoneel, noch bij de administratieve diensten populair en werd op de prestigieuze Rheintallijn relatief snel door de nieuwe eenheidsserie 01 verdrongen.
Ze werd successievelijk naar Noord-Duitsland afgegeven, tot alle 20 locomotieven in 1942 in Bremen gestationeerd waren.
Haar inzetgebied was voornamelijk het Noord-Duitse vlakke land, waarvoor ze het beste geschikt was en ook het nieuwe locomotiefpersoneel kon zich met de gecompliceerde compound van hoge- en lagedrukcilinders beter vereenzelvigen.
Na inbouw van sterkere remmen werd de maximumsnelheid naar 140 km/h verhoogd en het vermogen van de serie 18.3 overschaduwde menige jongere sneltreinlocomotief.
Op één na doorstonden alle locomotieven van de serie 18.3 de Tweede Wereldoorlog, waarvoor de jonge Deutsche Bundesbahn geen toepassing vond en ze buiten dienst stelde.
Met de wederopbouw van de infrastructuur en de normalisering van het spoorverkeer groeide de behoefte aan snelle testlocomotieven en de Deutsche Bundesbahn zag zich tot de reconstructie van drie, reeds afgestelde locomotieven van de serie 18.3, genoodzaakt.
De locomotieven werden dienovereenkomstig gemodificeerd en leverden vele jaren waardevol werk voor het Lokomotiv-Versuchsamt in Minden.
De 18 316 bereikte tijdens een testrit in Oostenrijk op het traject Kufstein-Wörgl de snelheid van 162 km/h en werd zo de snelste Länderbahn-locomotief.
Pas in 1969 werden de beide laatste locomotieven afgesteld en deze mooie locomotieven zijn als monumenten voor het Länderbahn-tijdperk bewaard gebleven.

Technische specificaties:

Baureihe: 18.3.
Indienststelling: 1918/1920
As-indeling: 2’C1′ h4v
Tender: wü 2’2’T29,6
Gewicht: 97T + 69T
Lengte: 23,32 M.
Snelheid: 120 KM
Kolenvoorraad: 10T
Watervoorraad: 30 M³
Vermogen: 1950 PSi

Model: Trix 22180, 22181