Br 58

Tot aan het begin van de eerste wereldoorlog ontwikkelde alle Duitse staten zelfstandig lokomotieven, die aan landseigene behoeften en topografische voorwaarden voldeden.
Ook het onderhoud, reparaties en onderdeelverzorging vond in eigen beheer plaats.

Na de opgelegde confiscatie door de centrale overheid ten behoeve van de oorlogs-inspanning zag men de problemen in die een veelvoud aan types met zich meebracht met betrekking tot het onderhoud en personeel dat de loks moest bedienen.
Met dit in het achterhoofd gaf het betreffende Pruisische ministerie de opdracht een eenheids-lokomotief ten behoeve van het zware goederenverkeer te ontwikkelen.
In overleg met alle Länderbahnverwaltungen werd er een vier-assige machine gepland hetgeen echter op weerstand van de legerleiding die 1D machine met een as-ast van 16 ton voor ogen hadden.
De Staatsbahnen wensten tevens een lok die ook na de oorlog de aan de gewenste voorwaarden kon voldoen.
Een vijf-assig voorstel zonder voorloopas werd afgewezen en zo viel de keus op een 1-E drie-cylindermachine.
Henschel & Sohne kreeg de opdracht een machine te ontwikkelen en greep daartoe terug op een voor Turkije gebouwde lok.
Uit deze machine en de daarvoor gebouwde G12.1 schiep Henschel de G12 die zich duidelijk van alle andere Duitse lokomotieven onderscheidde.
de nieuwe machines werden met de 3T20 tender uitgerust die een kolenvoorraad van 6 ton bevatte. Van 1917 tot 1921 kochten de PR.Staats-Eisenbahn en de Deutsche Reichsbahn 1168 loks G12 waarbij in totaal acht fabrikanten betrokken waren.
Samen met de andere Länderbahnen werden er in totaal 1371 machines afgenomen.
Na de samensmelting van alle banen tot de Deutsche Reichsbahn Geselschaft werden de machines ondergebracht in de BR58.
Enkele machines werden aan het Versuchsambt der Deutsche Reichsbahn afgegeven ten behoeve van tests met kolenstofverbranding.
Na de tweede wereldoorlog verbleven er vele 58-ers in slechte toestand verspreid door heel Europa en de beide Duitse staten.
Van de 152 aan de DB toegewezen machines was in 1950 15% nog inzetbaar derhalve besloot met de 58 zo snel mogelijk uit dienst te nemen hetgeen in 1953 zijn definitieve beslag kreeg.
Beduidend langer reden tot 1976 in het oostelijke deel van Duitsland deze mooie machines rond.
Alvorens ook hier de sloper er een einde aan maakte.
Er rijd er nog een rond (58 311) in schitterende gerestaureerde toestand bij de Ulmer-Eisenbahn-Freunde in Duitsland.

Technische specificaties:

Baureihe: 58.
Indienststelling: 1917-1924
As-indeling: 1 E h2
Tender: pr 3 T20, p2’2 T31,5
Gewicht: 95,7T + 51,1T
Lengte: 18,49 M.
Snelheid: 65 KM
Kolenvoorraad: 6T
Watervoorraad: 20 M³
Vermogen: 1540 PSi

Model: Rivarossi HR 2205, Roco 4112